Nieuws

12 feb: Darwin jarig en nieuw essay: Who created the first Tree of Life? op mijn website.
2 feb: positieve bespreking van 'From Bacteria to Bach and Back: The Evolution of Minds' van Daniel C. Dennett in Nature vandaag.
22 jan Alweer een apparaat op te laden met Waka-waka
16-20 jan: EO 'Rot op met je religie' 5-delige reality-tv serie met 5 deelnemers. Leerzaam, schokkend, entertainment
12 jan: Over representaties van de werkelijkheid, 8 colleges Studium generale Utrecht.
2 jan: José van Dijck, Wim Saarloos: Wetenschap is niet 'maar een mening', nrc
30 dec: Goed nieuws: China verbiedt algehele handel in ivoor vanaf eind 2017, nrc.
29 dec: De wereld wordt steeds beter. Kijk maar naar de data! nrc

*) zie hier. [ Archief Actualiteiten ]

28 februari 2013

Het verwerpen van natuurlijke selectie in seksuele soorten heeft absurde consequenties. Contra Joris van Rossum.

In dit blog een topic dat niet aan bod gekomen was in de uitstekende gastbijdrage van Arno Wouters (Van Rossums Rode Haring) van 20 februari [6].

Na een tientallen paginas durend betoog over de 'replicator' van Dawkins, Monod and Williams  (wat meer op een juridisch betoog lijkt dan op een biologische studie) komt van Rossum uiteindelijk tot de volgende conclusies:
"When we search in scientific literature for validations for the
proposed mechanisms behind the evolutionary process of adapta-
tion, and focus on the most important one, natural selection, we
find these to be surprisingly scarce." (p. 33)
"sexual reproduction cannot be explained as an adaptation, and, therefore, not accounted for by the principle of natural selection" (p. 92)

Fout 1
De hoofdfout van het proefschrift is dat Joris van Rossum natuurlijke selectie in twijfel trekt zonder gedegen literatuur onderzoek gedaan te hebben.
selectie in Darwinvinken
Van Rossum probeert op een amateuristische manier empirische bewijs voor natuurlijke selectie te ondermijnen of relativeren. Dat is één van de meest schokkende vertoningen in het hele proefschrift. Hij heeft helemaal geen grondig literatuuronderzoek gedaan. Hij probeert waarschijnlijk het bestaan van natuurlijke selectie te ondermijnen, omdat hij anders zou moeten erkennen dat natuurlijke selectie optreedt in zich seksueel voortplantende diersoorten zoals de beroemde Darwin vinken (Darwin finches), die grondig onderzocht zijn [4]. Over natuurlijke selectie in een zich seksueel voortplantende diersoort, de vlinder Biston betularia zegt hij:
"However, the evolution of the peppered moth provides only a partial demonstration of natural selection" (p. 34). Concludeert van Rossum nu dat natuurlijke selectie in het algemeen onvoldoende is aangetoond? Hij zegt het niet letterlijk, maar de suggestie is overwhelming. We zullen in het volgende zien wat de gevolgen zijn als men natuurlijke selectie in twijfel trekt, met name –en dat heeft de speciale belangstelling van van Rossum– in seksuele voortplantende soorten.

Fout 2
"During the process of meiosis, when gametes are produced
(...), only half of the genes make it to these individual cells " (p. 119)
Het klopt dat meiose 50% reductie geeft in genetische transmissie per nakomeling, dat zijn de wetten van Mendel, maar hij zegt er niet bij dat de haploide set compleet is in die zin dat er alle plm. 21.000 genen van de mens in zitten. Dat zijn de 22 + XY verschillende chromosomen, de soort specifieke chromosomen. Daarom kunnen we het haploid genoom (n) gelijk stellen aan 100% en het diploide genoom met 200% (2n). Immers, de chromosomen komen voor in paren: 23 paar = 46 chromosomen (mens). In het algemeen geldt dat het haploide genoom in zijn geheel wordt gerepliceerd en doorgegeven. Daarom is het fout om te zeggen dat de helft van de genen niet wordt doorgegeven, zoals van Rossum doet. Wat wel waar is dat niet beide allelen van een gen worden doorgegeven. Dus: per nakomeling wordt niet de complete variabiliteit van het genoom in heterozygote toestand doorgegeven. Bijvoorbeeld, van de heterozygoot Aa wordt alleen A óf a doorgegeven. Dat zijn de wetten van Mendel. Zelfs voor heterozygote genen gaat het om dezelfde genen die hetzelfde eiwit produceren met mogelijk een iets andere ruimtelijke structuur. Er gaat zeker geen gen verloren!
NB: alleen voor heterozygote genen is het relevant dat 50% per nakomeling wordt doorgegeven. Voor alle homozygote allelen paren (AA of aa) is het niet relevant want daar zijn de allelen identiek [1]. Inteeltlijnen zijn een goed voorbeeld: daar gaat in feite niets 'verloren'.

X en Y chromosoom
De mannelijke geslachtscellen laten op verrassende wijze zien hoe bizar, het '50%-gaat-verloren-argument' van Joris van Rossum eigenlijk is. Omdat de man XY is gaat bij de vorming van mannelijke geslachtscellen in 50% het complete X-chromosoom (!) en in 50% een Y-chromosoom 'verloren'! Het X-chromosoom is zeer groot en bevat zo'n duizend genen, terwijl het Y-chromosoom ontzettend klein is en maar een handvol genen bevat. Aangezien er miljoenen zaadcellen geproduceerd worden gaat er statistisch gezien helemaal niets verloren. Alleen vanuit het standpunt van een nakomeling maakt het verschil: een zoon heeft géén X-chromosoom van zijn vader en een dochter heeft géén Y-chromosoom van haar vader ontvangen! Kunnen biologen door dit 'chromosoom verlies' het fenotype van mannen en vrouwen, zoals de primaire of secundaire geslachtskenmerken, niet meer verklaren? Integendeel! Werkt natuurlijke selectie daardoor niet meer? Natuurlijk niet, alle genen op het X en Y chromosoom staan onverminderd onder invloed van natuurlijke selectie. Fragile-X syndroom (mutatie op X chromosoom) geeft mentale retardatie. Een defect op het Y-chromosoom verhindert de productie van sperma. Het gevolg laat zich raden: onvruchtbaarheid. Dat is natuurlijke selectie. Het defect op het Y-chromosoom plant zich niet voort. Hoe controversieel kan dat nu zijn? Je hoeft daarvoor werkelijk niet de hele wetenschappelijke literatuur te doorzoeken ("When we search in scientific literature for validations...")!

Fout 3
In tegenstelling tot wat van Rossum lijkt te denken, werkt selectie ook op haploid niveau. Bijvoorbeeld: functionaliteit van sperma (dat is haploid, n), zoals zijn bewegelijkheid, zijn vermogen om de eicel te bereiken en te bevruchten, zijn allemaal fitness componenten waarop geselecteerd wordt. Dus natuurlijke selectie werkt op de haploide zaadcel. Functioneert de zaadcel niet goed, dan treedt er onvruchtbaarheid op, dus natuurlijke selectie. Met andere woorden: de zaadcel bezit adaptaties.

Een ander voorbeeld: in het dierenrijk vinden we bovendien haploid males (bijen, mieren, wespen), dat zijn dus volwassen individuen die haploid zijn en waarbij dus alle adaptatie op een haploid genoom berust. "Most fungi and algae are haploid during the principal stage of their lifecycle" (bron).

Fout 4 
Ook al wordt er bij geslachtelijke voortplanting per nakomeling 'maar' 50% van het dna doorgegeven, er kan wel degelijk natuurlijke selectie optreden in de nakomelingen. Kijk maar. De eerste test van de replicator is het embryo. Het embryo ontstaat door mitoses uit de bevruchte eicel. Het grappige is dat het lichaam dus een kloon is van de bevruchte eicel. Bij de somatische celdelingen wordt steeds het volledige diploide genoom gerepliceerd. Dat betekent dus dat alle DNA in het diploide genoom een replicator vormt. Ten tweede: deze replicator in zijn geheel wordt getest op zijn vermogen om de ontwikkeling van het organisme in goede banen te leiden. Oftewel: het phenotype te produceren. Lukt het niet dan sterft het embryo of de baby wordt geboren met aangeboren of erfelijke afwijkingen en sterft vroegtijdig. Dit is natuurlijke selectie. Het leven van het embryo kan al eindigen vóór de geboorte en dat heet spontane abortus of miskraam [7]. Het wordt vaak veroorzaakt door aneuploidie, bijvoorbeeld trisomie-18 of andere genetische oorzaken. Dit is de eerste en grootste test voor de replicator. 
Maar ook na de geboorte gaat de test (natuurlijke selectie) gewoon door.
ziekte van Duchenne
Ook daar zijn vele voorbeelden te noemen. Bijvoorbeeld, het haploide genoom kan een dominant lethaal gen dragen en dat veroorzaakt een fitness van nul (embryo sterft) en er wordt dus 100% tegen geselecteerd. Een ander voorbeeld: Duchenne muscular dystrophy (DMD): het dystrophin gen produceert geen normaal dystrophin eiwit, ongeacht de rest van het genoom. Het komt in mannelijke nakomelingen tot uiting. Ze hebben de ziekte. De levensverwachting van Duchenne patienten is rond de 25 jaar. De evolutionaire fitness is nul (ze hebben geen nakomelingen). Het 'grappige' is dat natuurlijke selectie in de zonen tegen het foute DMD gen berust op het haploide deel (die 50%) dat de moeder heeft doorgegeven. Zonen krijgen het DMD gen altijd van hun moeder [2]. De moeder hoeft dus niet 100% van haar 'replicator' (genoom) door te geven om selectie in de nakomelingen te laten optreden. Belangrijk! Alsof het uitmaakt dat de ouders maar 50% van hun genoom doorgeven! Als je als zoon het DMD gen van je moeder erft, dan ben je patient. Theoretische discussies over de 'levels of selection', 'units of seleciton' veranderen niets aan het feit dat het een dodelijke ziekte is. Geen proefschrift verandert daar iets aan. Goed functionerende spieren in armen, benen, hart, longen zijn een adaptatie. 

DMD is een voorbeeld van X-linked dominant inheritance: "only one copy of the allele is sufficient to cause the disorder". Andere bekende voorbeelden: Rett syndrome en Fragile X syndrome. Andere voorbeelden van erfelijke ziektes bij de mens: PKU, hemofilie, Cystic Fibrosis, ziekte van Pompe, ziekte van Fabry (in 2012 nog in het nieuws), Tay-Sachs, thalassemie, sikkelcelziekte, etc. Deze kinderen sterven jong als ze niet behandeld worden (zeker in het verleden toen er nog geen behandelingen waren). We spreken van letale mutaties. Kinderen krijgen is meestal onmogelijk. We spreken hier van natuurlijke selectie omdat er géén (of minder) nakomelingen zijn in vergelijking met individuen die de mutatie niet hebben. Niemand (behalve Joris van Rossum?) verbaast zich erover dat natuurlijke selectie optreedt in de mens, een zich geslachtelijk voortplantende diersoort.
Samenvattend: in zowel het embryo als de volwassene zorgt natuurlijke selectie voor het intact houden van het functioneel dna en een gezond individu. Gebeurde dat niet dan zouden mutaties zich ophopen [3].

Conclusies
  1. het verwerpen van natuurlijke selectie in seksueel voortplantende dieren leidt tot absurde consequenties.
  2. Er is voldoende bewijs dat natuurlijke selectie in staat is adaptaties te kweken in zich seksueel voortplantende dieren, 
  3. ongeacht of seksuele voortplanting nu evolutionair voordelig is of niet, 
  4. ongeacht die 50% van de 'genen' die 'verloren' zou gaan,
  5. ongeacht wat het Dawkins-Monod-Williams replicator model ook zou zeggen, 
  6. ongeacht hoe seksuele voortpanting 1,2 miljard jaar geleden ontstond [5].
  7. Daardoor wordt het probleem van het ontstaan en handhaving van seksuele voortplanting naar de tweede plaats gedelegeerd. Een interessant biologisch probleem voor specialisten, maar niet iets dat ook maar enige belemmering vormt voor natuurlijke selectie. [ietsje herschreven 1 maart)
Wat is de consequentie als je natuurlijke selectie verwerpt? Als seksuele voortplanting 1,2 miljard jaar geleden ontstond, en als 99% van alle soorten zich seksueel voortplant, en als natuurlijke selectie niet zou werken in die soorten, dan zouden al die soorten een verwaarloosbare hoeveelheid schadelijke of letale mutaties opgelopen hebben gedurende 1,2 miljard jaar. Dit is extreem onwaarschijnlijk. Dit gaat tegen de natuurwetten in. Er bestaat een vaste mutatiefrequentie. Mutaties treden spontaan op. Iedere generatie accumuleert mutaties (als selectie ze niet zou verwijderen!). Op den duur wordt het genoom a.h.w. 'gerandomiseerd': het wordt random DNA. Er blijft niets over van de genetische informatie. Er blijven geen intacte genen over. Dat wil zeggen: zonder natuurlijke selectie! Er is geen ander proces dan natuurlijke selectie bekend om het genoom intact te houden. Van Rossum komt niet met een alternatief. Zonder natuurlijke selectie hopen schadelijke mutaties zich op met de regelmaat van de klok, zeker over een miljard jaar. Alle seksuele soorten zouden dan uitgestorven moeten zijn. Van Rossum heeft deze uiterst belangrijke implicatie niet opgemerkt.

Tenslotte: zoals hierboven met voorbeelden aangetoond is, wordt natuurlijke selectie niet op z'n minst gehinderd door het feit dat er 50% van de allelen 'verloren' gaat. Maar van Rossum lijkt dat wel te denken. Alsof die 50% die wél wordt doorgegeven geen (positief of negatief) effect heeft op het fenotype! Ook dat ontgaat van Rossum.
Zélfs als het evolutionaire voordeel van seksuele voortplanting niet zou opwegen tegen de nadelen (zie vorig blog Voor- en nadelen van sex), dan nóg moet evolutie een manier hebben gevonden om schadelijke mutaties te elimineren. En zélfs als seksuele voortplanting niet de meest efficiënte manier is om schadelijke mutaties te verwijderen (Deleterious mutation clearance), het is en blijft een feit dat wij, en de rest van de 99% van de soorten, niet zijn uitgestorven. Volgens mij. Dankzij natuurlijke selectie.


Noten
  1. "We found that in individuals with a recessive disease whose parents were first cousins, on average, 11% of their genomes were homozygous..." (Quantification of Homozygosity in Consanguineous Individuals with Autosomal Recessive Disease
  2. Mannen zijn XY, vrouwen XX. De vader van de Duchenne patient heeft ook een X chromosoom, maar omdat we het over een zoon hebben heeft de zoon noodzakelijkerwijs het Y-chromosoom van zijn vader, en dus het X-chromosoom van zijn moeder. De dochters met tenminste 1 intact DMD gen zijn gezond.
  3. Graur, Dan; Zheng, Yichen; Price, Nicholas; Azevedo,  Ricardo; Zufall, Rebecca; Elhaik, Eran (2013)  On the immortality of television sets: "function" in the human genome according to the evolution-free gospel of ENCODEGenome Biology and Evolution. (Open Access). Dit stuk legt uit dat natuurlijke selectie nodig is om genen intact te houden en dat het menselijk genoom te groot is om 100% (of 80%) functioneel te zijn.
  4. Peter Grant, Rosemary Grant (2008) How and Why Species Multiply. The Radiation of Darwin's Finches. Princeton University Press. (zeer compleet onderzoek!)
  5. Evolution of sexual reproduction (wikipedia)
  6. In dat blog toonde Arno Wouters o.a. aan dat seksuele voortplanting niet een vooronderstelling is van de evolutietheorie.
  7. Miskraam, of 'miscarriage' in het Engels (zie ook: 'stillbirth', 'infant death', 'recurrent abortion', 'habitual abortion', 'pregnancy loss'). Ik heb zelf het boek Coming to Term: Uncovering the Truth About Miscarriage (2005) gelezen, maar toen ik in amazon het trefwoord 'miscarriage' intypte vond ik tot mijn ontsteltenis 1397 boeken met het woord 'miscarriage' in de titel. En dat zijn niet allemaal oudere boeken. In de laatste 3 maanden zijn er 47 boeken verschenen met 'miscarriage' in de titel en de laatste 30 dagen 11 boeken. Er zijn zelfs christelijke boeken voor vrouwen die een miskraam hebben meegemaakt: 'In God's Hands: Overcoming Miscarriage in a Broken World'; 'The Biblical Theology of Miscarriage'.    [toegevoegd: 6 maart]

Addendum

Fout 5: dit is een fout die de redenering van van Rossum aantast, maar misschien niet geheel weerlegt. Hij gaat er kennelijk vanuit dat 100% van het genoom van organismen functioneel is. Maar het genoom bevat niet-functioneel dna. Die kan gemist worden zonder dat de functie/adaptatie verdwijnt. Zoals bekend is in eukaryoten niet alle dna (de 'replicator'!) functioneel: "current estimates according to which the fraction of the genome that is evolutionarily conserved through purifying selection is under 10%." (bron). Dus: minder dan 10% van het menselijk genoom is functioneel. Dat relativeert die 50% verlies enigszins! Het is dus fout om adaptatie toe te schrijven aan 100% van het genoom. Als maar 10% van de totale replicator functioneel is, dan is het fenotype (adaptatie) dus gebaseerd op maar 10% van de replicator.

Vorige blogs over dit onderwerp:

Joris van Rossum promoveert aan de VU op weerlegging van de Darwinistische verklaring van het ontstaan van sexuele voortplanting 4 feb 2013,
en blogs op 11 feb, 18 feb, 20 feb, 21 feb, 28 feb.

website Geloof en Wetenschap 18 maart 2013:
De moeder van alle evolutionaire problemen 
Dr. T.B. Jongeling is filosoof. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit op de dissertatie The sceptical biologist: An enquiry into the structure of evolutionary theory (Amsterdam 1991)

groot overzichtsartikel:

Stephanie Meirmans, Patrick G. Meirmans, Lawrence R. Kirkendal
The Costs Of Sex: Facing Real-world Complexities
The Quarterly Review of Biology  Vol. 87, No. 1, March 2012

21 februari 2013

Voor- en nadelen van sex

Na het stuk van Arno Wouters krijg ik veel vragen over sex. Daarom hier een kort overzichtje van de voor- en nadelen. Dan kunt U zelf beslissen of de voordelen opwegen tegen de nadelen:

Voor- en nadelen van sex. ©Zimmer, Emlen (2013) p.333.

Ook krijg ik vaak de vraag: is het waar dat ik bij sex 50% van mijn genen verlies? Antwoord: Nee, niet 50% van uw genen, maar wel 50% van Uw allelen! Als U bij iedere keer sex 50% van Uw genen zou verliezen, dan zou U al heel snel niets meer overhouden! (50%, 25%, 12,5%, 6,25%, etc). U leest allerlei wilde verhalen op het internet of in proefschriften dat niet al uw 'genen' verloren gaan omdat bij een volgend kind andere genen/allelen aan bod komen, etc., etc. Dit is allemaal niet relevant. 
Bij sex worden slechts 50% van al Uw allelen doorgegeven aan Uw kind. Dat is een feit. Mendel heeft dat in 1865 vastgesteld. We weten nu dat dat komt omdat we diploid (2n) zijn, dat een kind ontstaat uit de gelijke bijdrage van vader en moeder, en dat het kind zelf ook diploid (2n) is. Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat een ouder de helft van 2n, dat is n, moet bijdragen aan het kind. Op die manier wordt het kind: n+n=2n. Anders zou het kind tetraploid (2n+2n=4n) worden! 
U moet zélf beslissen of U die 50% reductie acceptabel vindt of niet. Het enige alternatief is U te laten kloneren.

(laatste gedeelte herschreven 23 feb)

Postscript 22 feb:

Een leesbaar artikel over het onderwerp: 

Sarah Otto (2008) Sexual Reproduction and the Evolution of Sex, Scitable (by Nature Education) (gratis): Birds do it, and bees do it. Indeed, researchers estimate that over 99.9% of eukaryotes reproduce sexually. What, then, are the true costs and benefits of sex? (met dank aan Deen).

20 maart: Denkcafé: Onbegrijpelijke seks Gerdien de Jong in debat met Joris van Rossum. (met dank aan Rob van der Vlugt)

20 februari 2013

Van Rossums Rode Haring

gastbijdrage Arno Wouters

Joris van Rossum betoogt in het proefschrift waarop hij in december vorig jaar aan de VU promoveerde bij de faculteit wijsbegeerte dat “the theory of natural selection” ontoereikend (“insufficient”) is, ‘ontoereikend’ in de zin dat deze theorie niet alle biologische verschijnselen kan verklaren. Van Rossum pretendeert een nieuw en fundamenteel probleem m.b.t. het ontstaan van seksuele voortplanting naar voren te brengen: de “theorie van natuurlijke selectie” zou het bestaan van seksuele voortplanting veronderstellen en het ontstaan daarvan dus niet kunnen verklaren. In deze gastbijdrage laat ik zien dat Van Rossums argumentatie berust op een opeenstapeling van fundamentele misvattingen betreffende de evolutiebiologie. Tevens zal blijken dat de verklaring van het ontstaan van seksuele voortplanting irrelevant is voor het punt dat Van Rossum wil maken.

Wat Van Rossum bedoelt met de “theorie van natuurlijke selectie” is niet helemaal duidelijk. Hij gebruikt de uitdrukking vanaf de eerste pagina, maar pas op p. 22 staat iets wat als definitie bedoeld zou kunnen zijn:
The theory of natural selection holds that through natural selection, sexual selection and genetic drift, organisms were designed in an evolutionary process of adaptation, and that this process furnishes an explanation for the design of all biological phenomena.
De theorie van natuurlijke selectie wordt hier dus opgevat als de stelling dat alle biologische verschijnselen te verklaren zouden zijn op basis van natuurlijke selectie, seksuele selectie en genetic drift. Van Rossum vergeet zijn bewering dat deze theorie onder evolutiebiologen algemeen gangbaar is  van bewijsmateriaal te voorzien. Dat zou hem ook niet gelukt zijn: er is geen enkele bioloog die meent dat er ook maar één verschijnsel (biologisch of niet) uitsluitend op basis van deze drie processen te verklaren is. De beschikbare variatie (of het ontbreken daarvan), de onderliggende genetica en de structuur van de populatie spelen immers impliciet of expliciet een rol in elke evolutionaire verklaring.

Op de meeste plaatsen lijkt Van Rossum met de uitdrukking “theorie van natuurlijke selectie” echter te doelen op verklaringen die zich baseren op het principe van natuurlijke selectie. In de rest van het stuk ga ik er vanuit dat dit is wat hij met die uitdrukking bedoelt. Het zou ook erg raar zijn om Van Rossums stelling dat de theorie van natuurlijke selectie seksuele voortplanting niet kan verklaren te lezen als ‘de stelling dat alle biologische verschijnselen te verklaren zijn op basis van natuurlijke selectie, seksuele selectie en genetic drift kan niet alle biologische verschijnselen verklaren’, inplaats van als ‘de stelling dat alle biologische verschijnselen te verklaren zijn op basis van natuurlijke selectie, seksuele selectie en genetic drift is niet houdbaar.’

De opvallendste misvatting in Van Rossums proefschrift is het idee dat natuurlijke selectie slechts optreedt bij entiteiten die naar voortplanting streven en om de beperkte bronnen die voortplanting mogelijk maken concurreren (zie bijv. figuur 2 op p. 45).

Hoewel het principe van natuurlijke selectie een belangrijk rol speelt in Van Rossums proefschrift wordt het niet expliciet gedefinieerd. Van Rossum geeft bovendien geen argument voor zijn bewering dat dit principe seksuele voortplanting veronderstelt. Twee ernstige tekortkomingen.

Er is dan ook geen enkele grond voor de stelling dat het principe van natuurlijke selectie seksuele voortplanting veronderstelt. Zoals ieder leerboek in de evolutiebiologie duidelijk maakt, stelt het principe van natuurlijke selectie dat in een populatie van zich voortplantende individuen waarin (1) de individuen van een generatie onderling verschillen met betrekking tot een bepaald kenmerk (variatie), (2) er in de omgeving waarin die populatie leeft een consistente relatie is tussen dat kenmerk en de voortplantingscapaciteit (fitnessverschillen), en (3) er in die populatie een consistente relatie is tussen het kenmerk van de ouder en het kenmerk van de nakomeling (erfelijkheid), de frequentieverdeling van dat kenmerk van generatie op generatie verandert in de richting van het kenmerk dat correleert met de meeste voortplantingscapaciteit.

Het betreft een statistisch beginsel, van toepassing op alle entiteiten die aan de voorwaarden (variatie, fitnessverschillen en erfelijkheid) voldoen. Dat natuurlijke selectie voortplanting veronderstelt is geenszins een nieuwe bevinding. Zonder voortplanting immers geen erfelijkheid. Het begrip voortplanting moet daarbij zeer ruim genomen worden: elk proces waarin er een gelijkenis gecreëerd wordt tussen de kenmerken van een entiteit op een zeker tijdstip en een andere entiteit op een eerder tijdstip kan als voortplantingsproces gelden, ook bijvoorbeeld het kopiëren van schilderijen of het leren van een taal (zie bijvoorbeeld Language, Thought and Other Biological Categories (1986) van de filosoof Ruth Millikan - een boek waar je als je een filosofisch proefschrift over natuurlijke selectie wilt schrijven toch echt van op de hoogte hoort te zijn). Het principe van natuurlijke selectie veronderstelt dus, anders dan Van Rossum beweert noch seksuele voortplanting, noch entiteiten die streven naar zelfbehoud en voortplanting: het feitelijk plaatsvinden van een voortplantingsproces (in deze zeer ruime zin) volstaat.

Evenmin veronderstelt het beginsel van natuurlijke selectie het bestaan van concurrentie: consistente fitness verschillen volstaan. Die kunnen door concurrentie ontstaan, maar ook door, bijvoorbeeld, verschillen in efficiëntie. Stel je hebt een populatie van zich ongeslachtelijk voortplantende organismen in een situatie waarin voldoende voedsel, ruimte etc. is. Er zijn twee varianten, die gemiddeld even lang leven. De ene variant haalt meer energie uit hetzelfde voedsel als de andere variant, is daardoor iets sneller volwassen en krijgt als gevolg daarvan gemiddeld 1 nakomeling meer. In dat geval zal het aandeel van die variant in de populatie toenemen, hoewel er geen concurrentie optreed.

Om te bewijzen dat het principe van natuurlijke selectie seksuele voortplanting niet kan verklaren zou een overtuigende analyse waaruit blijkt dit principe seksuele voortplanting veronderstelt volstaan. Toch is Van Rossum na de (ongemotiveerde en onterechte) constatering dat het principe van natuurlijke selectie, seksuele voortplanting veronderstelt niet klaar met zijn argument. Dat komt omdat er volgens hem twee “interpretaties” of  “versies” zijn van het beginsel van natuurlijke selectie, elk met hun eigen veronderstellingen. De ene interpretatie werd volgens Van Rossum door Darwin ontwikkeld, de andere door Dawkins. De versie van Dawkins zou anders dan die van Darwin geen seksuele voortplanting veronderstellen.

In werkelijkheid betreft het verschil echter niet het principe en haar veronderstellingen maar de entiteiten waarop het principe van toepassing is: organismen resp. genen. Omdat Van Rossum echter meent dat Dawkins een interpretatie van het principe van natuurlijke selectie ontwikkeld heeft die geen seksuele voortplanting veronderstelt, probeert hij te beargumenteren dat ook deze “versie” seksuele voortplanting niet kan verklaren. Zijn argument komt er op neer dat dit gewijzigde beginsel uitsluitend eigenschappen van de genen (stukjes DNA die tijdens het voortplantingsproces van ouder op kind worden overgedragen) kan verklaren. De redenering die tot deze conclusie leidt, blinkt niet uit door helderheid (p. 69):
When we conclude that the gene is unit of selection, this means that the process of adaptation always takes place on the level of the gene, and that adaptations are expressions of DNA which are always part of the gene and evolve for its benefit. It is on the level of the gene that we can account for design though the evolutionary process of adaptation. But the fundamental implication of this is that the gene as unit of selection has no explanatory relation with the sexually reproducing organism. With genes as unit of selection, natural selection can exclusively account for the specific constitution of these genes themselves, and can only account for adaptations that are phenotypic expression of part of those genes. Consequently, with genes as unit of selection, no account can be given for the design of anything that is the expression of DNA that exceeds the level of the gene — cells, organs, macroscopic structures, let alone the organism itself — all these fall outside of the explanatory potential of natural selection.
Kromme zinnen, ontbrekende lidwoorden, onduidelijkheden in de verwijzing van woorden als ‘we,’  ‘this’ en ‘which,‘ onduidelijke of onjuiste verbindingswoorden, verkeerd gebruikte leestekens, onduidelijkheden in de logica en een typefout — het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt.

De belangrijkste onduidelijkheid: waarom zou uit de aanname dat natuurlijke selectie slechts eigenschappen kan verklaren die de expressie zijn van de genen, volgen dat het principe van natuurlijke selectie niets kan verklaren dat boven de genen uitgaat? De genen beïnvloeden toch niet alleen hun eigen constitutie maar ook allerlei andere eigenschappen van het organisme?

Dit laatste lijkt echter precies het punt te zijn waar het Van Rossum om gaat: voordat de genen het organisme kunnen beïnvloeden, moet er wel een organisme zijn. Voordat genen die in een organisme ingekapseld zijn, zich over de wereld kunnen verspreiden, moeten die organismen bovendien bereid en instaat zijn zich voort te planten. Daar het ontstaan van dergelijke organismen niet op basis van fysische en chemische eigenschappen te verklaren zou zijn, moet de “theorie van natuurlijke selectie,” om volledig te zijn, verklaren hoe uit de eerste genen (volgens van Rossum zouden dat in de oersoep zwevende zich zelfstandig replicerende stukjes DNA zijn) zich seksueel voortplantende organismen kunnen ontstaan. Daar een dergelijke inkapseling de reproductie van die oergenen niet ten goede zou komen, kan de “theorie van natuurlijke selectie” het ontstaan van zich seksueel voortplantende organismen niet verklaren en is dus onvolledig. Zo ongeveer verloopt, naar ik de indruk heb, Van Rossums argument.


Om het probleem van deze redenering te zien is het van belang in de gaten te houden dat het bij natuurlijke selectie altijd gaat om verschillen in fitness tussen de in een populatie aanwezige varianten. Een nieuw type organisme krijgt in het selectieproces de overhand als dit type organisme meer nakomelingen produceert dan de andere gelijktijdig in de populatie aanwezige typen organisme (z’n directe voorgangers). Hoe dit nieuwe type zich zou gedragen ten aanzien van niet meer aanwezige voor-voorgangers is dus niet van belang.  Van Rossums bezwaar dat het voor de eerste onafhankelijke replicators geen voordelen biedt om zich in seksueel reproducerende organismen in te kapselen is daarom alleen van toepassing als de overgang van de eerste onafhankelijke replicators (de zich replicerende entiteiten waarmee het evolutieproces ooit begon) naar seksueel reproducerende organismen in één stap plaats gevonden heeft. Indien deze overgang, zoals doorgaans aangenomen wordt, in een aantal stappen plaats vond (als zich bijvoorbeeld uit de eerste replicators eerst aseksueel voortplantende organismen gevormd hebben) is de vraag of die overgang in z’n geheel voordeel oplevert irrelevant. Het gaat om de voordelen van elke stap afzonderlijk.

Voor zover ik weet stellen evolutiebiologen zich de weg van de eerste onafhankelijke replicators naar zich seksueel voortplantende organismen ongeveer als volgt voor: onafhankelijke replicators → aseksueel voortplantende prokaryoten (de eerste organismen) → aseksueel voortplantende proto-eukaryoten → seksueel voortplantende eukaryoten. Als zij gelijk hebben (Van Rossum geeft geen argument tegen deze opvatting) is het nieuwe probleem van seksuele voortplanting dat Van Rossum meent te signaleren (nl. wat is het voordeel van de overgang van onafhankelijke replicators naar seksueel reproducerende organismen?) niet meer dan een schijnprobleem. Het werkelijke probleem van het ontstaan van seksuele voortplanting is het probleem hoe uit aseksuele proto-eukaryoten seksuele eukaryoten geëvolueerd kunnen zijn.  Voor Van Rossums stelling dat de “theorie van natuurlijke selectie” ontoereikend is, lijkt echter vooral de vraag van belang hoe uit de eerste onafhankelijke replicators aseksuele prokaryoten ontstaan kunnen zijn.  Dit probleem is niet nieuw (ik kom er zo op terug) en heeft niets van doen met het ontstaan van seksuele voortplanting. Terwijl Van Rossum een heel hoofdstuk besteedt aan de hem bekende verklaringen van het ontstaan en (vooral) de handhaving van seksuele voortplanting (problemen die, zoals ik zojuist uitgelegd heb, irrelevant zijn) gaat hij echter nergens in op de voorgestelde oplossingen voor het probleem van het ontstaan van de eerste organismen. Een ernstige omissie.

Als Van Rossum zich in het probleem van het ontstaan van prokaryoten verdiept had, zou hij wellicht ontdekt hebben dan er nog wat meer bezwaren aan zijn redenering kleven. Van Rossum laat het evolutieproces beginnen bij zich zelfstandig replicerende stukjes DNA. Hij ontleent dit idee aan een populair-wetenschappelijk boek van Dawkins, waarin deze betoogt dat in de biologische evolutie de genen de enige replicators zijn en daarmee de eenheden van selectie. Echter, uit de stelling dat de genen de eenheid van selectie vormen, volgt geenszins dat het evolutieproces begonnen moet zijn met vrij in de oersoep zwevende genen. Evenmin volgt uit die stelling in combinatie met de observatie dat de genen van de eukaryoten en een groot deel van de prokaryoten uit DNA bestaan dat de eerste replicators uit zelfstandig replicerende stukjes DNA bestonden.

In feite is er geen enkele grond voor die veronderstelling. Integendeel, er is een belangrijk argument tegen deze opvatting: DNA kan zich helemaal niet zelfstandig repliceren. Daar is een hele batterij aan eiwitten voor nodig. Het probleem van het ontstaan van organismen is dus het probleem hoe de eerste organismen konden ontstaan uit combinaties van DNA en eiwitten. Voor volledigheid in Van Rossums zin moet het bovendien mogelijk zijn het ontstaan van die combinaties te verklaren, hetzij rechtstreeks uit de fysische en chemische eigenschappen van DNA en eiwitten, hetzij op basis van natuurlijke selectie beginnende bij entiteiten wier ontstaan volledig op basis van fysische en chemische eigenschappen te verklaren zou zijn.


Geen van deze problemen is nieuw en Van Rossum draagt geen redenen aan voor de veronderstelling dat deze problemen principieel onoplosbaar zijn. Voor beide problemen zijn oplossingen voorgesteld. Het probleem hoe samenwerking tussen zelfstandige replicators onstaan kan, bijvoorbeeld, werd in 1971 in exacte vorm gegoten door Manfred Eigen. Eigen laat vervolgens zien hoe toevallige functionele interactie tussen naburige replicators tot zich replicerende functionele combinaties van replicators (zgn. hypercyles) kan leiden. Eörs Szathmáry’s ‘stochastic replicator model’ uit 1986 verklaart hoe zich binnen gecompartimentaliseerde hypercyles specialisatie kan ontwikkelen, waarbij het niet langer zo is dat alle replicators zichzelf reproduceren en er bovendien componenten in het reproductieproces betrokken kunnen raken die zelf geen replicator zijn (denk bijvoorbeeld aan een systeem met 2 typen replicators, waarbij het ene type zorg draagt voor de replicatie van alle replicators, terwijl de replicators van het andere type een eiwit produceren dat dit proces versnelt). RNA gooit hoge ogen als mogelijke eerste replicator, maar er zijn ook andere kandidaten: eenvoudiger nucleïnezuren en kleimoleculen. Is er eenmaal zo’n zich replicerend systeem gevormd dan kan natuurlijke selectie leiden tot vervanging van de replicator: RNA kan de plaats innemen van klei of simpeler nucleïnezuren, DNA dat van RNA.  Van Rossum had ter onderbouwing van zijn stelling dat het ontstaan van organismen niet volledig verklaard kan worden door “de theorie van natuurlijke selectie” zijn pijlen op dit soort modellen moeten richten, inplaats van op de modellen die het ontstaan en handhaving van seksuele reproductie verklaren.

In een opiniestuk in Bionieuws (2 februari 2013) wijst een viertal evolutiebiologen Van Rossums bewering dat de evolutietheorie seksuele voortplanting niet kan verklaren als misvatting van de hand. Van Rossum is niet onder de indruk van deze kritiek. In een reactie in Ad Valvas, (6 februari 2013), die ook in Bionieuws (16 februari 2013) gepubliceerd werd, zegt hij dat genoemde evolutiebiologen het fundamentele probleem waar hij op wijst negeren. Daar heeft hij in zekere zin gelijk in: zij gaan niet in op het enige probleem dat (zoals ik hierboven heb laten zien) indien onoplosbaar werkelijk van belang zou zijn voor Van Rossums stelling dat “de theorie van natuurlijke selectie” niet volledig is, nl. het probleem van het ontstaan van aseksueel reproducerende prokaryoten. Ironisch genoeg besteedt ook Van Rossum zelf geen letter aan dit probleem. Wel besteedt hij nogal wat aandacht aan een probleem waarin hij naar eigen zeggen niet in geïnteresseerd is (nl. de handhaving van geslachtelijke voortplanting) en beweert hij herhaaldelijk dat alle hem bekende pogingen om dit probleem en het probleem van de oorsprong van seksuele voortplanting (waarvan hij zegt dat hij daar wel in geïnteresseerd is) falen. Zijn argumentatie voor de stelling dat een bepaald model faalt beperkt zich in cruciale gevallen tot de bewering dat niet alle biologen het er over eens zijn. Ook beweert hij meer dan eens dat het probleem dat hij meent te signaleren (hoe zijn uit de eerste zelfstandige replicators zich seksueel voortplantende organismen ontstaan?) ten grondslag ligt aan de veronderstelde onmacht het ontstaan en de handhaving van seksuele voortplanting te verklaren, zonder ook maar een poging te doen verband te leggen tussen het door hem gesignaleerde probleem en het vermeende falen. De kritiek van de evolutiebiologen is dus, ondanks dat zij niet ingaan op het probleem waar het werkelijk om gaat uitermate relevant.

Kunt u het nog volgen? Ik wel, maar dat heeft me heel wat moeite gekost. Op geen enkel punt in het proefschrift maakt Van Rossum de structuur van zijn argumentatie duidelijk. Van filosofiestudenten zou een dergelijke tekortkoming al in hun bachelorscriptie niet meer geaccepteerd worden.

Arno Wouters studeerde biologie in Wageningen en filosofie in Groningen. Hij promoveerde als wetenschapsfilosoof, en specialiseerde in de filosofie van de biologie. Hij publiceerde o.a. over 'explanation in biology'. (homesite)

(Met dank aan Gerdien de Jong, die mij op dit proefschrift attendeerde en mij aanmoedigde dit commentaar te schrijven en te publiceren)

Door technische problemen was deze tekst niet in iedere browser leesbaar, dat is 12:21 gecorrigeerd (GK). 

Eerste blog over dit onderwerp:
 Joris van Rossum promoveert aan de VU op weerlegging van de Darwinistische verklaring van het ontstaan van sexuele voortplanting 4 feb 2013

18 februari 2013

God, sex en evolutie

In 1993, dus bijna 20 jaar eerder, had creationist Walter ReMine al gedaan wat Joris van Rossum in zijn proefschrift in december 2012 deed, nl. de moeilijke verklaarbaarheid van seksuele voortplanting gebruiken cq misbruiken ten behoeve van creationisme of Intelligent Design. Joris van Rossum is dus helemaal niet de eerste [1]. In zijn boek The Biotic Message behandelde ReMine het probleem 'The Origin of Sex' in 10 paginas (pag. 196–206). Méér dan wat je doorgaans bij creationisten ziet. Hij schetst daar een glashelder maar pessimistisch beeld van de wetenschappelijke literatuur van dat moment met vele citaten van vooraanstaande evolutiebiologen als J. F. Crow, G. Bell, G. C. Williams, Michod and Levin, John Maynard Smith en Richard Dawkins. ReMine benadrukt dat het probleem van het ontstaan van sex één van de grootste onopgeloste vraagstukken in de biologie is. Dit baseert hij op de meest pessimistische citaten die hij kan vinden: Graham Bell (1982) The Masterpiece of Nature: The Evolution and Genetics of Sexuality: "Sex ... does not reduce fitness, but halves it". Dit citaat heb ik gecontroleerd; het is correct. Ook een dramatisch citaat van George C. Williams (1975) Sex and Evolution, pag. 11, dat ReMine aanhaalt, is correct. Toevallig citeert Joris van Rossum van dezelfde pagina van het hetzelfde boek van Williams (toevallig?). Het citaat afkomstig van John Maynard Smith (1986) The Problems of Biology, p. 35: "The origin of the sexual process remains one of the most difficult problems in biology" is correct.

ReMine vertelt over de vergeefse zoektocht van evolutiebiologen naar mogelijke voordelen van sex die het nadeel moeten compenseren. Zijn overzicht lijkt een beetje op hoofdstuk 2, 'The Enigma', van Matt Ridley's The Red Queen (1993) waarin Ridley ook opeenvolgende veelbelovende verklaringen voor sex de revue laat passeren, die later niet houdbaar blijken. Het verschil is dat Ridley geen creationist is.

Het patroon is altijd hetzelfde: creationisten zoeken problemen in de wetenschappelijke literatuur en gaan deze vervolgens exploiteren voor hun eigen doelen. Voor hun eigen karretje spannen. Als ze verder niets met het resultaat weten te doen dan volstaan ze met te roepen: "Ha! er zijn problemen met de evolutietheorie!", of nog aardiger: "evolutie is gefalsifieerd!". Meestal is de conclusie: Design!

Omdat creationisten vaak de problemen niet zelf bedacht hebben, maar in de wetenschappelijke literatuur gevonden hebben, heeft het geen zin dié problemen te ontkennen. Het probleem van de verklaring van seksuele voortplanting is een authentiek evolutionair probleem waar biologen al meer dan 40 jaar aan werken. (Als creationsiten zélf problemen hebben bedacht zijn het meestal pseudo-problemen die makkelijk te herkennen zijn door even in de wetenschappelijke literatuur te gaan rondneuzen). Vergelijk dit biologsiche probleem met de 40-jarige geschiedenis van de String Theory in de natuurkunde. Skeptici zeggen daarover: string theory is a miserable failure!
 
Wat wij als wetenschappers moeten doen is dus: 1) controleren of de problemen echt zijn en of de citaten kloppen, 2) erkennen dat ze echt zijn. Ontkennen heeft weinig zin, want dan zouden wetenschappers werken aan oplossingen voor problemen die niet bestaan! Wetenschap bestaat nu eenmaal uit het oplossen van problemen. Hoe diepgaander de problemen zijn, hoe groter de uitdaging. Alleen ambitieuze wetenschappers pakken hardnekkige en fundamentele problemen aan. Dat verdient respect en bewondering. Het getuigt dan ook van totaal onbegrip van wat wetenschap is om te roepen dat er iets fundamenteel mis is met een bepaalde tak van wetenschap als er onopgeloste problemen zijn. Onzin! Integendeel! Vergelijk het probleem van dark matter en dark energy in de moderne kosmologie: "After more than two decades of hunting, why is it still so difficult to find dark matter?". Wijst dat probleem op design? Er zal vast wel een creationst rondlopen die dat beweert. Ook heb ik grote bewondering voor wiskundigen die een lijst bijhouden van onopgeloste problemen! Maar wiskundigen worden niet geplaagd door creationisten! Dat is het verschil!

Uiteindelijk concludeert ReMine:
"Creationists expect that the genetic mechanisms of sex serve some useful biological function. They intuitively viewed that function as the long-term maintenance of healthy populations. Most likely, sex serves such a function as suggested by hypotheses like Muller's ratchet. Such functions come naturally to the creationist's worldview. An unlike evolution, a designer can be "far-sighted", can see the long-term benefit of sex, and can build it into life" (p.206).
Hoe ironisch: een creationst bedenkt een functie voor seks! Wat kan een creationist anders doen? Niemand kan ontkennen dat seks in de overgrote meerderheid van de soorten voorkomt. Dat feit had ReMine zojuist tegen evolutie gebruikt. Grappig is dat de creationist vervolgens voor het volgende probleem komt te staan: als seks ontworpen is door de Designer, en dus nuttig is, waarom bestaat er überhaupt ongeslachtelijke voortplanting? Conclusie: door de hulp van God in te roepen is de wetenschap nog nooit vooruit gekomen. De alternatieven van de creationist zijn onwetenschappelijk en onnozel.





Tot nu toe het mooiste wat een creationist met het evolutionaire probleem van seksuele voortplanting heeft gedaan is het volgende:

Sexual Reproduction: A Continuing Mystery to Evolutionists (Website: Evidence for God):
"Sexual reproduction and recombination are part of God's plan, since they limit the expression of mutated genes that would have had detrimental effects upon the individual who possessed the gene. In addition, God created humans as males and females for the expressed purpose of marriage and unity within the body of Christ, as fellow servants and heirs in Him."
Is dat niet prachtig? Waarom schiep God Adam en Eva? Opdat zij sex zouden hebben! Be fruitful and multiply! En waarom moesten zij sex hebben? Recombinatie! Fantastisch: die technische termen 'recombination' en 'gene' in de context van een 3000 jaar oud mythologisch verhaal met een pratende slang: is dat niet geweldig? Het allermooiste is natuurlijk dat de auteur niet door heeft dat God éérst een probleem creëerde (mutaties) en daarna de oplossing (seksuele reproductie en recombinatie)! Je vraagt je af: Waarom mutaties in the first place? Waren Adam en Eva compleet met mutaties geschapen? Bizar. Tenslotte blijft de vraag ook hier waarom God ook ongeslachtelijke voortplanting creëerde, als sex zo goed was. Maar, is dat niet hetzelfde probleem dat evolutiebiologen ook hebben: waarom zowel geslachtelijke als ongeslachtelijke voortplanting naast elkaar bestaan? Ook hier zien we weer dat er nog nooit een wetenschappelijk probleem is opgelost door God te introduceren.

De bedoeling van deze blog is niet van Rossum weerleggen. Van Rossum is niet weerlegd omdat hij een creationist of ID-er zou zijn. Maar deze militante creationistische traditie vormt wel de historische achtergrond van zijn proefschrift. Alles wijst er op dat zijn motivatie dezelfde is als van bovengenoemde creationisten die ieder probleem in de evolutietheorie aangrijpen om iets te suggereren in de trant van: Zie je wel, de evolutietheorie deugt niet. Er moet iets anders zijn. Ik weet niet wat, maar gewoon iets anders. Joris van Rossum doet dat op zijn eigen manier. Daarover een volgende en laatste blog over deze affaire.


Noten
  1. "And why was sex never used as an argument against the theory of natural selection by its opponents?" (pag 25,26 van het proefschrift). Toegevoegd 25 feb 13.


Nieuws

Artikelen in BioNieuws 16 feb 2013:
met dank aan Gert van Maanen en Gerdien de Jong.

(*) In de zin "Als de theorie van natuurlijke selectie inderdaad fundamenteel niet in staat is seksuele selectie te verklaren,..." moet "seksuele selectie" vervangen worden door: "seksuele voortplanting".

Eerste blog over dit onderwerp:

4 feb 2013 Joris van Rossum promoveert aan de VU op weerlegging van de Darwinistische verklaring van het ontstaan van sexuele voortplanting

11 februari 2013

Creationisten juichen te vroeg over proefschrift Joris van Rossum

dr. Joris van Rossum
Het proefschrift van Joris van Rossum geeft weinig tot geen aangrijpingspunten voor een Intelligent Designer. Van Rossum erkent dat organismen evolueren en dat ze afstammen van gemeenschappelijke voorouders. Ook erkent hij in zijn proefschrift dat soorten zich aanpassen aan veranderende milieu omstandigheden en op die manier aanpassingen ('adaptations') ontstaan.
In het radioprogramma Hoezo radio vertelde van Rossum: "ik geloof in evolutie, ik geloof dat we van de apen afstammen, en dat we allemaal van één oervorm zijn geevolueerd.". Ook wordt natuurlijke selectie niet zondermeer verworpen. Van Rossum accepteert natuurlijke selectie voor zich ongeslachtelijk voortplantende organismen (1). De evolutietheorie wordt niet in zijn geheel verworpen. Ook zou van Rossum geen problemen mogen hebben met het idee dat het leven op natuurlijke wijze ontstaan is uit zichzelf replicerende moleculen ('replicators'). Immers, sexuele voortplanting speelt geen rol bij het ontstaan van het leven en Dawkins' replicator kan bij uitstek een rol spelen bij het ontstaan van het leven (bijvoorbeeld in de 'RNA-world').

Er is dan ook helemaal geen reden voor het Reformatorisch Dagblad [6], het Katholiek Nieuwsblad [7] en de Stichting De Oude Wereld [8], die de Bijbel als het onfeilbare, geïnspireerde Woord van God zien, om het proefschrift als steun voor hun opvattingen te zien. Integendeel. Van Rossums opvattingen zijn niet verenigbaar met een letterlijke interpretatie van het Bijbelse scheppingsverhaal [2]. En een 6.000 jaar oude aarde is ook niet te rijmen met de opvattingen in het proefschrift. In  een interview zegt van Rossum dat hij nadenkt over een 'Designer', 'een hoger Wezen' als alternatief, maar hij wil God niet introduceren in de wetenschap:  "Ik denk echter dat het te simplistisch is om God als enige alternatief te zien, hoewel dit gebruikelijk is." [3].

Dat gemeenschappelijke afstamming ('common descent') niet wordt afgewezen lezen we al in de inleiding van het proefschrift:
"The goal of this study is to challenge the second element of the theory of natural selection. It does not call into question the first claim of the theory, evolution by common descent, and so the idea that organisms evolve, and different species can be traced back to common ancestors, is not challenged" (p. 22)
En we komen het nog een keer tegen in het laatste hoofdstuk (Discussion):
"At the same time, a breaking down of the theory of natural selection through its inability to account for sexual reproduction does not imply that we have good reasons to believe that features of living beings did not originate through an evolutionary process. As discussed in the introduction, the idea that organisms evolve and that different species can be traced back to common ancestors is not challenged in this study, nor do we question the notion that the evolutionary process is one of adaptation whereby organisms become better equipped to survive in their environments (what we did challenge were the proposed mechanisms behind that process). We will therefore continue to describe the features of living beings as ‘adaptations’." (p. 152–153)
Vooral de uitspraak dat er processen bestaan waardoor organismen zich in de loop der tijd aanpassen aan hun omgeving is in strijd met rechtstreekse schepping ('special creation') en laat weinig of helemaal geen ruimte voor incidentele ingrepen door een Intelligente Designer. Anders zou je het geen 'proces' noemen. Als er al een Intelligente Designer aan te pas gekomen zou zijn, is die niet te onderscheiden van het langzame proces van evolutie dat miljoenen, en miljarden jaren geduurd heeft. Van Rossum geeft eigenlijk toe dat hij ook niet weet wat het belangrijkste creatieve proces in de evolutie is:
"But what then really the by far most important and dominant mechanism is behind the origin of design, this study does not shed a new light on." (p. 156)
Niemand kan dus beweren dat van Rossum steun biedt aan het creationisme.  Ook klopt het niet dat van Rossum "het darwinisme op losse schroeven zet" zoals het RD [3] beweert. Integendeel, in hetzelfde artikel lezen we: "Het bestaan van een evolutionair proces dat leidde tot de afstamming van soorten lijkt mij nog steeds heel aannemelijk." [3].

Ook VU wetenschapsfilosoof Henk de Regt, die als enige negatief had geadviseerd over het proefschrift, vindt dat van Rossum zijn claim dat de theorie van natuurlijke selectie 'fundamenteel' niet in staat zou zijn om seksuele reproductie te verklaren, niet onderbouwd heeft [4]. Evolutiebioloog Nico van Straalen stelt dat seksuele reproductie "vooralsnog een nog niet goed begrepen probleem is". Een vooralsnog onbegrepen fenomeen bestempelen als fundamenteel onverklaarbaar vereist een gedegen filosofische argumentatie, die helaas ontbreekt aldus de Regt [5].

Tenslotte is er nog een andere reden waarom creationisten te vroeg gejuigt hebben: de rector van de VU oordeelde vandaag dat ondanks dat de promotie volgens VU regels is verlopen, het beter was geweest als er een evolutiebioloog als tweede promotor of als co-promotor was opgetreden [4]. Het proefschrift had er dan inhoudelijk waarschijnlijk wel iets anders uitgezien.

Conclusie (woensdag 13 feb)

Het zijn niet alleen creationisten, maar ook de Intelligent Design aanhangers en 'ietsisten', inclusief Joris van Rossum zelf, die te vroeg gejuicht hebben bij het verschijnen van dit proefschrift. De creationisten die het scheppingsverhaal in Genesis als historische gebeurtenis opvatten juichten te vroeg omdat het proefschrift de gemeenschappelijke afstamming van al het leven erkent. Maar Intelligent Design aanhangers juichten ook te vroeg omdat er feitelijk geen of zeer weinig speelruimte voor ingrepen van een Designer overblijft als je erkent dat organismen zich aanpassen aan veranderende milieu omstandigheden door evolutionaire processen.

Noten
  1. "The description of asexual reproduction is relatively straightforward; it refers to the creation of new individuals containing the same genetic material as their (single) parent". (p.153)
  2. "This in itself formed a revolutionary element in the theory of natural selection, introduced at a time when the idea still prevailed that animal species are static and independently created". (p.22)
  3. Reformatorisch Dagblad 18 jan 2013
  4. VU-Rector trekt lering uit kwestie evolutieproefschrift Ad Valvas 11 feb 2013. Ik heb deze zin aangepast om te voldoen aan de normen van objectieve berichtgeving (12 feb).
  5. Evolutieproefschrift: kritiek van wetenschapsfilosoof Henk de Regt Ad Valvas 11 feb 2013 
  6. Reformatorisch Dagblad; Creationisten lanceren website burgerinitiatief (5 feb)
  7. Katholiek Nieuwsblad 4 feb Seks en pseudowetenschap
  8. Stichting De Oude Wereld 
(dinsdag 12 feb noten 6-8 toegevoegd)

Zie voor alle referenties het vorig blog:
Joris van Rossum promoveert aan de VU op weerlegging van de Darwinistische verklaring van het ontstaan van sexuele voortplanting.

Nieuws:

12 feb Reformatorisch Dagblad Positief advies voor promotie Van Rossum is een bijzonder eenzijdige berichtgeving.

12 feb Filosofie magazine 'Evolutie van seks prima te verklaren' Filosoof Pouwel Slurink over omstreden VU-promotie evolutietheorie. (met dank aan Jan van Meerten)

04 februari 2013

Joris van Rossum promoveert aan de VU op weerlegging van de Darwinistische verklaring van het ontstaan van sexuele voortplanting

Proefschrift Joris van Rossum:
'On sexual reproduction as a
new critique of the theory of
natural selection.'
Joris van Rossum promoveerde op 11 december 2012 aan de VU op de weerlegging van de Darwinistische verklaring van het ontstaan van sexuele voortplanting, maar de hele context van de promotie suggereert Intelligent Design. Ik geef nu alleen de context van de promotie bij wijze van introductie. Nadat ik het proefschrift heb gelezen zal ik proberen een inhoudelijk oordeel te geven.

Joris Paul van Rossum

Joris van Rossum studeerde filosofie aan de VU en biologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde bij een filosoof en een wiskundige. Zijn proefschrift verscheen onder 'Doctoral Theses - Philosophy'. Hij is daarmee doctor in de Wijsbegeerte. Op de pagina van de Faculteit Wijsbegeerte staat: 'Wetenschapsgebied: Theologie en wijsbegeerte' [1].

De Vrije Universiteit

Van Rossum promoveerde aan de VU, een van oorsprong christelijke universiteit. Ik kwam met het 'christelijke' van de VU in aanraking toen het VU-tijdschrift 'Wetenschap, Cultuur en Samenleving' in juni 1996 een essay 'Scheppen uit het niets' van de oud-farmacoloog Dr. F. Paesi publiceerde. Een creationistisch artikel. Ik stuurde een tegen-artikel in dat ondanks de nodige correspondentie heen en weer en aanpassingen uiteindelijk werd geweigerd. Als enige uitweg heb ik toen een website opgestart en het artikel daar gepubliceerd. Sindsdien associeer ik de VU met creationisme.

De promotoren

De promotoren
Prof. dr. Rene van Woudenberg (christelijk filosoof) en Prof. dr. Ronald Meester (wiskundige, [6]) zaten met Cees Dekker in de redactie van de Intelligent Design bundels 'Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp?' (review) en 'En God beschikte een worm' (review).

De leescommissie

VU-wetenschapsfilosoof Henk de Regt die het proefschrift afkeurde en VU evolutiebioloog Nico van Straalen [5], die het proefschrift goedkeurde, zaten in de leescommissie van het proefschrift. De leescommissie opponeert min of meer per definitie tijdens de promotieplechtigheid. Doorgaans zijn er 6 opponenten. Behalve Nico van Straalen zaten er geen biologen in de leescommissie. Bij uitzondering opponeerde van Straalen (de enige bioloog) niet. Het opvallende is dat de leden van de leescommissie niet vermeld staan in het proefschrift.

Het onderwerp

De evolutionaire verklaring van de oorsprong van geslachtelijke voortplanting. Is dit probleem door de promovendus ontdekt? Niet echt. Het is een bekend probleem in creationistische kringen. Nederlandse websites met '15 vragen voor evolutionisten' hebben bijvoorbeeld als vraag 8: Hoe ontstond sexuele voortplanting? Het wordt gepresenteerd als een argument tegen evolutie. Deze vragen zijn afkomstig van de Engelse website 15 Questions for Evolutionists (van: http://creation.com). Zie ook: Index to Creationist Claims waar het probleem ook bekend is [2]. Zie ook: [4].

Intelligent Design

Er komen twee boeken van de bij uitstek als Intelligent Design aanhangers bekend staande Michael Behe, Darwin’s Black Box (review) en The Edge of Evolution (review) en Phillip Johnson, Darwin on Trial (review), voor in de literatuurlijst van het proefschrift. In feite zijn het de 'oprichters' van de Intelligent Design beweging.

Brief aan rector VU

Op 14 januari schreven evolutiebiologen Gerdien de Jong, Duur Aanen, Rolf Hoekstra en Arjan de Visser een brief aan de rector magnificus Lex Bouter van de VU waarin ze stellen dat de hoogleraren Woudenberg en Meester de promovendus niet hadden moeten begeleiden omdat ze geen expertise hebben in de evolutiebiologie.

Bezwaren evolutiebiologen

Afgelopen zaterdag (2 feb) verscheen BioNieuws met op de voorpagina 'VU-promotie over evolutie rammelt'  (pdf) [3] gebaseerd op een ingezonden brief van evolutiebiologen Gerdien de Jong, Duur Aanen, Rolf Hoekstra en Arjan de Visser (pdf) [3]. De kritiek komt er op neer dat de promovendus de wetenschappelijke literatuur niet goed bestudeerd heeft, waardoor hij onjuiste conclusies trekt.

In de media:

VU agenda: 11 dec 12 "Natuurlijke selectie verklaart geslachtelijke voortplanting fundamenteel niet" (is samenvatting proefschrift door de VU)

Nederlandse samenvatting van het proefschrift uit het proefschrift zelf.

Het proefschrift is gratis te downloaden van de VU website. Ondertussen is het proefschrift ook beschikbaar op google books (14 feb 2013)

Geloof en Wetenschap, ForumC, 8 dec 2012 Seks niet verklaard door darwinistische evolutie. (gratis online) [3]

Nederlands Dagblad, 12 dec 2012 'Darwinisme kan seksuele reproductie niet verklaren' (niet gratis) (file) [3] [toegevoegd 5 feb]

Elsevier, 5 januari 2013, Simon Rozendaal 'De nutteloze man': "Kritiek op de evolutietheorie komt vaak uit religieuze hoek. Bioloog Joris van Rossum betoogt nu dat er een derde weg is tussen darwinisme en creationisme". [3]
Toevoeging 22 maart 2013: Rozendaal geeft een kritiekloze samenvatting van het proefschrift. Het artikel is gebaseerd op oppervlakkige kennis van de evolutietheorie.

Wetenschap24 Hoezo radio,  10 januari. Pieter van der Wielen in gesprek met evolutiebioloog en filosoof Joris van Rossum. Interview: 21 - 42 min. Zeer nuttig omdat Joris zijn proefschrift mondeling toelicht. [3]

Reformatorisch Dagblad, 16 januari: Darwin botst met doelgerichtheid en design (gratis online)

Reformatorisch Dagblad, 18 januari: Darwin botst met doelgerichtheid en design (gratis online) (is een 'update' van 16 januari)
Bart van den Dikkenberg interviewt Joris van Rossum: "U pleit in uw proefschrift voor het kijken naar alternatieven. „Inderdaad. Ik heb zelf geen alternatief voor het darwinisme, maar pleit voor het onderzoeken van alternatieven. Een daarvan is het creationisme. Ik bedoel daarmee het idee dat wij gecreëerd zouden zijn door een Designer, een hoger Wezen.".
Conclusie (GK): voor wie nog twijfelt: van Rossum is 100% Intelligent Design en schaamt zich zelfs niet om het woord creationisme te gebruiken! (toegevoegd 7 feb) [3]

Ad Valvas 29 januari: VU-promotie over evolutie aangevochten (gratis online): "Een groep evolutiebiologen van buiten de VU vindt het onterecht  ... Maar van Rossum benadrukt dat hij niet concludeert dat de oplossing ligt in ID..."

Ad Valvas 30 januari: 'Darwin op de schop' pag 10-14. (gratis online) met interview evolutiebioloog Nico van Straalen (VU) over het proefschrift.

Nederlands Dagblad 31 januari, 'Kritiek evolutiebiologen op onderzoek VU-promovendus', (niet gratis)  bevat reactie van van Rossum op de kritieken. [toegevoegd 5 feb] [3]

Volkskrant, zaterdag 2 feb Ben van Raaij: 'Kritiek op studie over evolutie' (verstopt op pagina 12 Binnenland): "De Vrije Universiteit in Amsterdam is in opspraak gekomen door een wijsgerige promotie met kritiek op de evolutietheorie. Vier evolutiebiologen hebben een brief gestuurd naar het college van bestuur waarin zij stellen dat de VU vorig jaar ten onrechte een doctorstitel heeft verleend voor dit onderzoek." ... (scan van de tekst).

NRC 2 feb Filosofen en biologen botsen over de evolutie van seks

Reformatorisch Dagblad 2 feb Evolutiebiologen: Promotie Van Rossum rammelt. Meester: „Natuurlijk is en blijft er verschil van inzicht, maar dat is bij een wijsgerig proefschrift heel gebruikelijk.”

Trouw 3 feb 'Valt seks nou wel of niet in te passen in de evolutieleer?': "Vraag is wat er rammelt: de evolutietheorie of het proefschrift. Feit is dat er commotie is uitgebroken onder evolutiebiologen vanwege een promotie aan de VU. Joris van Rossum, ..." (gratis online).

The Post Online 3 feb Marcel Hulspas De VU knijpt Darwin in het donker. (gratis online) Betoogt dat de VU stiekum iemand op Intelligent Design laat promoveren.

Resource, 4 feb: Wageningse biologen kraken  Amsterdams proefschrift (door Albert Sikkema) (gratis online) kort citaat Arjen De Visser.

Katholiek Nieuwsblad 4 feb Henk Rijkers: Seks & pseudowetenschap
(toegevoegd 11 feb) (Henk Rijkers heeft het proefschrift ook niet gelezen!)

De Vrije Gedachte 5 feb: Evolutieleer op de schop? (gebaseerd op Trouw artikel).

Ad Valvas 6 feb Reactie Joris van Rossum op de kritiek op zijn proefschrift. Hierin gaat Joris van Rossum puntsgewijs in op de kritiek in BioNieuws.

Reformatorisch Dagblad 7 feb Van Rossum: Kritiek op promotie onjuist en onterecht. AMSTERDAM – De kritiek die vier evolutiebiologen zaterdag uitten op het proefschrift van Joris van Rossum in het vakblad Bionieuws, is een „aaneenschakeling van onjuistheden en verkeerde interpretaties.”

Geloof en Wetenschap, 18 maart, kritiek op proefschrift Joris van Rossum

Noten
  1. Hij werkt bij Elsevier uitgeverij. Joris van Rossum was 'Head of Scirus project' (zoekmachine voor wetenschappelijke literatuur). (item herschreven 9 Feb.)
  2. Met dank aan DEEN. 
  3. Met dank aan Gerdien de Jong
  4. De 'creationist' Walter ReMine had ook al gewezen op het feit dat Darwinisten de oorsprong van sex niet konden verklaren: Walter ReMine on the Origin of Sexual Reproduction: "evolutionists have been unable to even theoretically explain the origin of sexual reproduction." (toegevoegd 13 feb 13)
  5. Nico van Straalen schreef in 2009 een artikel in de Volkskrant: Darwins theorie is voor de helft achterhaald: "De verheerlijking van Darwin ontneemt het zicht op de revolutie die zich intussen in de evolutiebiologie heeft voltrokken". Hij staat dus open voor kritiek op Darwin. (toegevoegd: 8 maart)
  6. In zijn inaugurele rede (oratie) op 24 maart 2000 citeerde Meester de Nederlandse vertaling (!) De Zwarte Doos van Darwin ('Darwin's Black Box') van Michael Behe en Michael Denton Evolution, a Theory in Crisis. (toegevoegd: 9 maart)


laatste update literatuur: 18 maart.
toegevoegd: paragraaf Leescommissie (7 en 9 maart).

01 februari 2013

"Hamburgers in het paradijs" van Louise Fresco. Boekbespreking

gastbijdrage Nand Braam
Het boek Hamburgers in het paradijs is dik (539 pagina’s) en bevat veel waardevolle, actuele informatie over de huidige stand van de voedselvoorziening, wereldwijd. Louise Fresco heeft daar verstand van getuige haar CV: http://nl.wikipedia.org/wiki/Louise_Fresco

Het is niet zo zinvol om het boek hier in zijn geheel samen te vatten, daarvoor is het te veelomvattend. Ik benader hier liever een aantal onderwerpen in het boek vanuit een item, dat in mijn beleving van het boek steeds terugkomt n.l. de spanning tussen de idealiteit en de realiteit. Om die spanning weer te geven grijpt Fresco vaak terug op het verhaal van het aardse paradijs en de verdrijving daaruit na de zondeval. Uiteraard slechts symbolisch bedoeld (Fresco is geen jonge aarde creationist). In het aardse paradijs was er een overvloed aan voedsel en water en een harmonie met de natuur. De paradijstuin hoefde niet bewerkt te worden, alles groeide vanzelf. Leeuw en lam leefden naast elkaar, de “stuggle for life” en de natuurlijke selectie bestonden nog niet. Na de zondeval werd dat allemaal heel anders maar de “paradijstheorie” is in de menselijke hoofden blijven bestaan. Na de secularisering, volgend op de bloei van de monotheïstisch godsdiensten, geldt het paradijs als referentiekader voor ons denken en handelen rondom voedsel. De associaties met het paradijs maken dat we nu bijna weerloos staan tegenover het overweldigende aanbod aan goederen en met name voedsel, dat zo overvloedig en goedkoop aanwezig is in onze laatkapitalistische samenleving.

Fresco schetst, na de verdrijving uit het aardse paradijs door de zondeval (nogmaals alleen symbolisch bedoeld), de ontwikkeling die de mens heeft doorgemaakt van jager,verzamelaar tot landbouwer: een moeizame triomf.

De spanning tussen de idealiteit en de realiteit zien we ook weer terug bij de kwestie van vlees, zuivel en vis, of algemener: dierlijke eiwitten, en de duurzaamheid en de ethische rechtvaardiging van dergelijke producten. Vooral vlees is een heet hangijzer. Immers, vleeseters worden er vandaag de dag steeds heftiger van beschuldigd ontbossing, dierenleed, klimaatverandering te veroorzaken. Maar tegelijkertijd is een overvloed aan vlees sinds mensenheugenis een symbool van ongebreideld genieten, van uitbundige gastvrijheid, van pure mannelijkheid. We stammen af van de primaten en gedurende onze gehele geschiedenis zijn vlees en zuivel zeer schaars geweest, maar essentieel voor ons overleven en onze evolutie. Dierlijke eiwitten hebben ons gemaakt tot wie we zijn. Nu is er echter een nieuwe situatie ontstaan doordat de schaal waarop we vlees en zuivel consumeren sporen achterlaat: we kunnen niet meer blind blijven voor de milieueffecten, de effecten op onze eigen gezondheid en de effecten op de dieren zelf. Alom groeit het besef dat de schadelijke effecten van de intensieve veehouderij voor het milieu en de volksgezondheid niet ondergeschikt mogen worden gemaakt aan economische belangen. De weg vooruit, aldus Fresco, zal bestaan uit een combinatie van verbeteringen in de klassieke veehouderij, vermindering van de consumptie en de zoektocht naar alternatieve eiwitbronnen.

Hoe belangrijk ook voor de menselijke evolutie, de bijdrage van vis aan het totale wereldwijde voedingspatroon was en is beperkt. Ongeveer 16% van het totale dierlijke eiwit dat in de wereld wordt geconsumeerd is afkomstig van vis. In de hele menselijke geschiedenis hebben we rivieren, meren, zeeën en oceanen gedachteloos behandeld als een vloeibaar paradijs, waar zonder beperking uit de overvloed van hoogwaardig, mineraal- , olie- en eiwitrijk voedsel geput kon worden. Naar schatting wordt tussen de 25 en 30% van alle vispopulaties op dit moment bedreigd of overbevist. Voor de oplossing moeten we denken aan de verschuiving van visserij naar geteelde watersoorten in aquacultuur, maar anderzijds moet ook de visserij uit het wild zich hervormen. Dat gebeurt deels ook al, en daar zijn goede mogelijkheden toe dankzij een combinatie van betere technologie en internationale afspraken.

Fresco is een groot voorstander van toepassing van de moderne biotechnologie in de landbouw ook van toepassing van genetische modificatie. De moderne plantenveredeling van de twintigste en eenentwintigste eeuw , inclusief de biotechnologie of gentechnologie, ligt in het verlengde van tienduizend jaar domesticatie. Wat begon met het zoeken naar toevallig afwijkende of gewenste individuen heeft zich ontwikkeld tot de systematische, wetenschappelijk onderbouwde veredeling van planten en dieren. Genetische verbetering is hand in hand gegaan met de toepassing van andere wetenschappelijke principes in de landbouw, zoals het gebruik van kunstmest, druppelirrigatie en mechanisatie. De combinatie daarvan met genetische verbetering heeft de verhoging van de opbrengsten en de kwaliteit van het voedsel op duizelingwekkende wijze versneld. Ondanks successen in de toepassing en de pogingen tot nuancering in de discussie is langzamerhand een patstelling ontstaan, vooral in Europa, waarbij een open dialoog over dit onderwerp onmogelijk lijkt. De voorstanders beloven gouden bergen voor onze gezondheid en het wereldvoedselvraagsuk; de tegenstanders dreigen met afhankelijkheid van het bedrijfsleven, vergiftiging van het milieu en gevaar voor de mens. De positie zijn minder scherp afgebakend in Noord-Amerika en al helemaal niet in (opkomende) economieën en ontwikkelingslanden, waar men, op enkele westers geïnspireerde actiegroepen na, biotechnologie als een positieve ontwikkeling ziet. Daar groeit juist het onbegrip over de Europese houding en de onduidelijkheid over wat er wel en niet toegelaten is op de Europese markt. Een bijkomend effect is dat veel veredelingsonderzoek verdwijnt uit Europa.

De heimwee naar het paradijs zien we ook terug bij het onderwerp: biologisch en natuurlijk. Biologische landbouw slaat enerzijds op een vorm van bedrijfsvoering, anderzijds op een systeem van keurmerken en controle dat in Nederland en de meeste westerse landen bij wet is vastgelegd. Daarmee wordt niet iets geclaimd over de kwaliteit van het product, maar alleen over het proces van de productie. De invoering van biologische landbouw wordt niet alleen beperkt door de lagere opbrengsten (die het gevolg zijn van het verbod op kunstmest en grotere kans op ziekten), maar ook de kosten van certificeren en een moeilijke vaak langdurige omschakeling vanuit de conventionele landbouw. Een oplossing voor het wereldvoedselvraagstuk kan biologische landbouw niet bieden-wel een nichemarkt in rijke landen en voor hogere inkomensgroepen, voor gespecialiseerde producten en distributeurs.

Er is geen sprake van een krimpend paradijs. Meer en gezonder voedsel is bereikbaar voor meer mensen zonder dat de planeet hoeft te worden uitgeput. Dat is nu zo, en er is geen reden om daaraan te twijfelen voor de komende decennia, tenzij er een grootschalige ramp of oorlog plaatsvindt. Zolang er sprake is van een open wereldeconomie met adequate controle op kwaliteit en arbeidsomstandigheden en voldoende koopkracht kan lokale en regionale schaarste overwonnen worden. Toch ervaren veel mensen een voedselcrisis. Dat zijn allereerst degenen die onvoldoende voedsel kunnen kopen en verbouwen. Zij hebben behoefte aan economische groei en werkgelegenheid. Aan mooie praatjes dat er op wetenschappelijke gronden geen schaarste hoeft te zijn, hebben ze weinig. Maar ze hebben nog minder aan schaduwdenkers die de ondergang van de planeet voorspellen. Het rijke deel van de wereld, vooral in de moderne steden, bevindt zich in een identiteitscrisis die geen betrekking heeft op de echte schaarste van voedsel. Bij die crisis gaat het om de verdwijning van een paradijselijke beeld van de wereld door de anonimiteit en grootschaligheid van de productie. De afstand tussen grond en mond, aarde en eettafel maakt de consumenten letterlijk onmondig over de oorsprong van hun eten. In onwetendheid en onzekerheid groeit de gevoeligheid voor sombere schilderingen van onze toekomst. De ware voedselcrisis van deze tijd overstijgt echter een romantisch idee over het verleden, maar heeft betrekking op het verlies aan waarde van voedsel, het verlies aan respect voor degenen die het produceren, en het verlies aan waardigheid van degenen die niet te eten hebben, net zo goed als van hen die voedsel naar binnen proppen. De natuurwetenschap biedt hier geen voldoende antwoorden. De crisis zit in onszelf en is in hoge mate een crisis van het Westen, dat juist zo geprofiteerd heeft van alle vooruitgang. Het verlies aan zelfvertrouwen in de rijke westerse landen manifesteert zich ook op andere terreinen, zoals onzekerheid over het politieke bestel en de economie. Autarkie en nationalisme zijn geen oplossingen. Maar gelukkig, de somberheid van doemscenario’s en schaduwdenken heeft ook evolutionaire voordelen. We schrikken en leren ervan. En daardoor staat voor het eerst in decennia voedsel weer volop in de aandacht van politici, wetenschap, bedrijven en burgers. Grenzen aan de groei zijn niet het probleem, maar grenzen aan ons vertrouwen in onze oplossingen.

Dit is een korte samenvatting. Mijn eigen mening over de besproken onderwerpen heb ik er bewust buiten gelaten, omdat dat de discussie meteen al veel onoverzichtelijker zou maken. Het gaat er eerst om te laten zien wat Fresco vindt.

Postscript 23 feb 2013 (GK):

Zie ook kritiek op Fresco in nrc 23 feb: Karel Knip: Alledaagse wetenschap: Vleesverdediging.